Tabel 1: Incidenties van wormbesmetting bij honden en katten, naar leeftijd en categorie.
Vanparijs et al. (1991) bestudeerde de incidenties van wormbesmettingen bij een zeer groot aantal honden en katten in België en Zuid-Nederland door microscopisch onderzoek van de uitwerpselen van deze dieren. Bij een kleiner aantal werden ook de ingewanden onderzocht. Ongeveer 35% van de honden en 83% van de katten bleek met wormen geïnfecteerd te zijn (tabel 2).
Het is niet duidelijk of deze incidenties ook voor de rest van Nederland gelden, maar waakzaamheid blijft geboden. De ernst van de schade die deze wormsoorten bij de dieren veroorzaken, is afhankelijk van de leeftijd van het dier en van de wormsoort (tabel 3). De wormsoorten worden hieronder besproken, ingedeeld op basis van het orgaan dat ze aantasten.
* voor pups: Ancylostoma +++, Uncinaria ++
Tabel 3: Schade door wormen bij hond en kat.
Maag-darmwormen
Spoelwormen
De bekendste wormsoorten bij hond en kat zijn de spoelwormen. Ze zijn wit tot roodgeel, rond en in het midden dikker dan aan het uiteinde (figuur 1).
Figuur 1: Spoelwormen
De kop is niet duidelijk afgescheiden van de rest van het lichaam. Spoelwormen worden 10 tot 18 cm lang. Ze leven vrij in de dunne darm en voeden zich met darminhoud. Soms migreren de volwassen wormen naar de maag. Dat veroorzaakt braakneigingen en soms wordt er een prop wormen uitgebraakt. Bij de hond komen twee verschillende spoelwormen voor: Toxocara canis en Toxascaris leonina. Bij de kat parasiteren eveneens twee soorten: Toxocara cati en Toxascaris leonina. De belangrijkste en gevaarlijkste spoelworm is ongetwijfeld de hondespoelworm: Toxocara canis (Van den Bergh 1993).
Haakwormen
De haakworm leeft bij de hond en de kat in de dunne darm. De worm is zeer klein en moeilijk met het blote oog zichtbaar. Hij heeft aan zijn mondopening snijdende haakjes of plaatjes, waarmee hij wondjes maakt in de darmwand en bloed zuigt (figuur 2).
Figuur 2: De haakworm met zijn scherpe kaken.
Dat verklaart de soms bloederige diarree en de bloedarmoede ("kennelanemie"). Een hond of kat besmet zich door het inslikken van een besmettelijke larve of doordat larven rechtstreeks door de huid dringen. Met de bloedstroom komen ze in alle lichaamsdelen terecht, maar vooral in de longen. Hieruit worden ze opgehoest en vervolgens opnieuw ingeslikt. In het maag-darmkanaal groeien de larven in 5 weken uit tot volwassen, eierleggende wormen. Net zoals de larven van de spoelworm kunnen ook de larven van de haakworm in een drachtig dier de foetus besmetten, en kunnen haakwormlarven via de moedermelk worden doorgegeven. Er zijn twee belangrijke soorten haakwormen. Ancylostoma komt vaak voor bij honden in het zuiden van Europa, waar de larven in de bodem leven. Maar ook in een verwarmde kennel kunnen de larven van een geïnfecteerde hond overleven en andere honden besmetten. Ancylostoma kan voor pups dodelijk zijn. De andere soort, Uncinaria, is minder schadelijk, maar komt in onze gematigde streken vaker voor.
Zweepwormen
De zweepworm leeft in de dikke darm van de hond, bij voorkeur in de blinde darm. Bij de kat komt hij niet voor. Deze worm heeft de typische vorm van een zweep: het voorste deel is heel dun en lang, terwijl het achterste deel korter en dikker is (figuur 3).
Figuur 3: Zweepworm
Het voorste gedeelte ligt ingebed in het slijmvlies van de darm; het achterste gedeelte hangt vrij in de darmholte. De worm is 4 tot 7 cm lang. Soms kunnen in één gastheer honderden zweepwormen voorkomen. De volwassen vrouwelijke wormen leggen hun eitjes in de darm. Die wormeitjes komen met de uitwerpselen in de buitenwereld terecht, waar de onrijpe wormeieren in 3 tot 4 weken besmettelijk worden. De hond besmet zich door het oplikken van de besmettelijke, rijpe wormeieren. In het maag-darmkanaal komt een larve uit het ei. Deze vervelt enkele keren en wordt volwassen in 60 tot 90 dagen. Na copulatie leggen de vrouwelijke wormen eieren en de levenscyclus begint opnieuw. De volwassen worm kan 16 maanden in leven blijven. De zweepworm kan bij jonge honden een periodieke, soms hevige en bloederige diarree veroorzaken. De zweepworm vormt vooral een probleem in kennels waar de hygiëne onvoldoende is. Vermagering, diarree en bloedarmoede vormen de hoofdproblemen.
Lintwormen
Bij honden en katten parasiteren verschillende lintwormsoorten. Voor hun ontwikkeling hebben ze een tussengastheer nodig. De tussengastheren voor de Taenia-lintwormen zijn zoogdieren. Voor de verschillende soorten hondelintwormen zijn dat bijvoorbeeld hazen, konijnen, runderen, schapen, varkens of paarden. Voor de kattelintworm is het een prooidier, zoals een muis of rat. De Dipylidium-lintworm heeft vlooien of luizen als tussengastheer.
De lintworm heeft een duidelijk afgescheiden kop met haken en zuignappen. De worm bestaat uit een keten van segmenten (proglottiden), die achter de kop steeds verder aangroeien (figuur 4).
Figuur 4: De lintworm dipyüdium
De rijpe segmenten achteraan vallen af en worden met de uitwerpselen uitgedreven. Ieder rijp segment is een soort kapsel dat vol zit met wormeieren. Voor zijn verdere ontwikkeling moet het wormei worden opgenomen door een tussengastheer, waarin het wormei kan uitgroeien tot een besmettelijk stadium dat verschillende namen heeft: blaasworm, vin of cysticercus (figuur 5).
Figuur 5: Een hydatide kyste, afkomstig van de hondelintworm echinococcus granulosus aangetroffen in longweefsel van een rund.
De blaasworm varieert in grootte van een erwt tot een klein kippeëi. Het is een helder doorschijnend blaasje, dat gevuld is met een vloeistof en dat de aanleg bevat van een of meer naar binnen gestulpte lintwormkoppen. Een hond of kat besmet zich door het opeten van vlees of organen waarin deze blaaswormen voorkomen. Dat zijn vooral lever en ingewanden van koeien, schapen, varkens, muizen en ratten. In het maag-darmkanaal van de eindgastheer (hond of kat) ontwikkelen de blaaswormen zich tot lintwormen. Een dier dat slechts met enkele lintwormen besmet is, ondervindt daar meestal niet veel hinder van. Alleen worden af en toe rijpe segmenten als kleine witte vlokjes in de uitwerpselen aangetroffen. Bij een zware besmetting worden de dieren mager. Ze hebben last van een slechte spijsvertering en diarree.
Het vlees van koeien, schapen, paarden en varkens dat besmet is met blaaswormen, kan gedeeltelijk worden afgekeurd voor menselijke consumptie.
Andere wormsoorten
Hartwormen
Dirofilaria immitis is een dunne filaroïde rondworm die voorkomt in het rechter hart, de arteria pulmonalis en de vena cava van de hond en de kat. Deze parasiet komt voor in warme gebieden, o.a. in Zuid-Europa en het zuidoosten van de Verenigde Staten. Hij lijkt zich echter uit te breiden naar de meer gematigde klimaten. Ook in Nederland komt deze infectie af en toe voor, en niet (meer) alleen door import.
De volwassen wormen veroorzaken een ontsteking van de arteria pulmonalis en zijn vertakkingen. De stuwing geeft aanleiding tot levercongestie en op den duur tot dilatatie van het rechter hart. In eerste instantie wordt alleen hoest waargenomen. Bij erge aantasting volgen symptomen als benauwdheid en bloedspuwen.
Longwormen
In Nederland kennen we drie longwormsoorten bij katten en honden.
- Filaroides
spp. zijn metastrongyliden die voorkomen in het ademhalingsstelsel van de hond. In kennels in de Verenigde Staten en bij windhonden in Groot-Brittanië komen regelmatig besmettingen voor. Ook in België is de aandoening bekend, maar in Nederland nog niet. De tot 1 cm grote wormen leven in het slijmvlies van de trachea, bronchiën en longblaasjes. Ze veroorzaken een longontsteking die gekenmerkt wordt door een niet-produktieve chronische hoest en benauwdheid. Omdat het L-1 stadium van de larve al infectieus is, zijn auto-infecties mogelijk. Meestal verloopt de infectie subklinisch waardoor de diagnose moeilijk is te stellen en er vaak associaties worden gelegd met immunodepressie.
- Aelurostrongylus abstrusus
is een zeldzame worm die soms wordt aangetroffen bij zwerfkatten in België. Ondanks de ernstige longletsels die hierbij ontstaan, zijn de symptomen meestal zeer mild: chronische droge hoest die na enkele weken spontaan verdwijnt. Slakken zijn de tussengastheren. Deze worden gegeten door knaagdieren, vogels, reptielen of amfibieën, die op hun beurt weer gegeten worden door de kat. De infectie heeft een zelflimiterend karakter.
- Capillaria aerophila
is een haarworm die voorkomt in de neusgangen, trachea en de grote bronchiën van de kat en de vos, en zelden van de hond. Bij zwerfkatten komt de worm regelmatig voor, maar bij huiskatten zelden. Door irritatie van de trachea ontstaat soms een droge hoest en neusuitvloeiing. Vermoedelijk spelen regenwormen een rol in de cyclus.
Wormen van de urinewegen
- Capillaria plica en Capillaria felis-cati zijn haarwormen die leven in de blaaswand van hond, vos en kat. Ze worden sporadisch aangetroffen en ze veroorzaken weinig letsel. Hierdoor blijft de besmetting vaak onopgemerkt. Meestal worden de eieren toevallig aangetroffen bij onderzoek van urinesediment. Capillaria spp. hebben een indirecte cyclus, met aardwormen als tussengastheer.
- Dioctophyma renale
is de reuze-nierworm die sporadisch wordt aangetroffen bij honden. De vrouwelijke worm kan wel 75 tot 100 cm lang worden en een diameter hebben van ruim 1 cm. Het mannetje wordt zo'n 45 cm lang. De volwassen helder rode worm leeft in het nierweefsel. Opmerkelijk is dat deze wormen zich vrijwel altijd ophouden in de rechter nier. Tussengastheer is een ringworm die als parasiet voorkomt bij de rivierkreeft.
Wormen als zoönose
Verschillende van de besproken wormsoorten kunnen ook de mens besmetten. Soms is de mens een gewone gastheer (b.v. bij Diphyllobothrium), soms een "verkeerde" eind- of tussengastheer, waarin de worm zich niet verder kan ontwikkelen (b.v. Toxocara). Het meest gevaarlijk is de ontwikkeling van een ruimte-innemend proces als gevolg van een blaasworm van een lintworm. Vooral maag-darmwormen kunnen bij de mens terechtkomen.
Spoelwormen
Het besmettelijke wormei van de hondespoelworm (Toxocara canis) kan ook aanslaan bij andere zoogdieren, zoals bij varkens, ratten, muizen en bij de mens. In al deze niet-specifieke gastheren groeien de larven echter nooit uit tot volwassen wormen. Ze kunnen via de bloedsomloop in principe terechtkomen in elk orgaan en zich daar innestelen. Er ontstaat dan rond de larve een ontsteking die aanleiding geeft tot granulomateuze letsels. Ze blijven ingekapseld en kunnen maandenlang in leven blijven. Voor kleine kinderen maar ook voor volwassenen betekenen honden met spoelwormen een mogelijk besmettingsgevaar (Van den Bergh 1993). Zoals bij veel wormbesmettingen zien we een toename van eosinofiele granulocyten en een verhoogde IgE-spiegel. De klinische verschijnselen bij de mens zijn vaag. Vaak gaat de aandoening onopgemerkt voorbij. Soms worden weinig specifieke klachten gezien als buikgriep, hoesten, benauwdheid, spierpijn, algemene malaise, futloosheid of huidklachten. De klachten verdwijnen na 1-2 jaar vanzelf. In zeldzame gevallen komen migrerende larven op plaatsen terecht waar ze ernstige gevolgen kunnen hebben (hersenen, ogen, hart). Klinisch onderscheidt men de zogenaamde viscerale larva migrans en de oculaire larva migrans. Bij oculaire larva migrans kunnen acute visusstoornissen optreden die zo sterk lijken op een maligne retinoom dat het gevaar bestaat dat tot enucleatie wordt besloten.
Haakwormen
Haakwormen van hond en kat kunnen ook de mens besmetten. Daarnaast zijn er ancylostomidae die de mens als gastheer hebben. Deze worden "mijnwormen" genoemd, omdat mijnwerkers, op hun blote voeten in de warme vochtige grond in de mijnen, gemakkelijk besmet werden. Ook in de tropen komen mijnworminfecties veel voor, niet alleen met de mijnwormen van de mens, maar ook met de haakwormen van hond en kat. Zo kwamen Nederlandse militairen wel eens terug uit de Nederlandse koloniën met zowel mijnwormen van de mens, als met haakwormen van de hond: in Suriname waren ze peroraal besmet met Ancylostoma ceylanicum, in Nieuw-Guinea percutaan met Ancylostoma brasiliensis (Anten en Zuidema 1964). Besmet voedsel en vuile handen liggen ten grondslag aan infecties bij de mens. De klassieke wormmiddelen (benzimidazolen en pyrantelpamoaat) zijn voldoende om de infectie te bestrijden.
Lintwormen
De meeste lintwormen van hond en kat zijn voor de mens niet gevaarlijk. Alleen Echinococcus granulosus kan gevaarlijk zijn. Deze worm is alleen aangetroffen in de landen rond de Middellandse Zee, in Oostenrijk en in Zuid-Duitsland. Het is een zeer kleine lintworm van ongeveer 0,5 cm lang met maar drie segmenten. Als de mens de eieren van Echinococcus granulosus oraal opneemt, zal er geen normale ontwikkeling plaatsvinden. De eitjes bevatten een embryo met drie paar haken. In de maag komt dit embryo vrij. Het migreert door de maagwand naar de buikholte, en soms verder naar de vitale organen als lever, longen, hersenen en nieren. Het embryo groeit daarna uit tot een kyste. Dit proces kan jaren duren. In de wand hiervan vormen zich honderdduizenden lintwormkoppen (protoscolices) die als "hydatidezand" op de bodem blijven liggen. Het gevaar van de kyste is dat het een ruimte-innemend proces is dat zenuwen of bloedvaten kan afknellen en organen kan belemmeren in hun functie. Een bijkomend gevaar is dat bij aansnijden van de kyste uit de protoscolices secundaire hydatide-kysten kunnen ontstaan. Chirurgische interventie moet daarom zeer voorzichtig gebeuren. De diagnose kan worden gesteld door serologie, echografie of tomografie.
Preventie
Een hygiënische omgang met ontlasting van honden en katten is een eerste vereiste om besmetting van mensen te voorkomen. Verse ontlasting is niet besmettelijk, maar in de grond waar ontlasting enige tijd heeft gelegen, kunnen zich vooral spoelwormeitjes bevinden. Hygiëne houdt dus in:
verse ontlasting snel verwijderen;
na contact met ontlasting handen wassen;
plaatsen waar ontlasting lang blijft liggen, vermijden.
Daarnaast is een regelmatige ontworming van honden en katten van belang. Hierbij maakt men om praktische redenen gebruik van breed-spectrumanthelminthica die effectief zijn tegen de meest voorkomende wormen van kat en hond. Bij een Dipylidium-infectie verdient het echter aanbeveling om met een specifiek lintwormmiddel te ontwormen. De benzimidazolen zoals mebendazol en flubendazol hebben wel een goede werking tegen een aantal Taenia spp., maar niet tegen Dipylidium spp.
Een preventief ontwormingsschema is het halve werk. Bij "Praktische punten" staat een goed ontwormingsschema beschreven.
Besluit
Bepaalde wormen schaden niet alleen de gezondheid van hun eigenlijke gastheer - de hond of de kat - maar zijn ook schadelijk voor de mens. Ook kan consumptievlees van besmette dieren gedeeltelijk worden afgekeurd voor menselijke consumptie. Een goede hygiëne en een regelmatige ontworming van huisdieren zijn belangrijk om dergelijke infecties bij mensen en produktiedieren te voorkomen.
Praktische punten
Een goed ontwormingsschema houdt in:
Voor honden een ontwormingskuur:
- bij pups op een leeftijd van 10 dagen, 6 en 8 weken en tot ze een half jaar oud zijn om de 2-3 maanden;
- voor een vaccinatie;
- bij teven: tijdens de bronst, 10 dagen voor en 10 dagen na de partus;
- bij alle andere honden 3-4 keer per jaar.
Voor katten een ontwormingskuur:
- op een leeftijd van 6 weken en daarna om de 2-3 maanden;
- lacterende poezen 6 weken post partum;
- alle andere katten 3 à 4 keer per jaar.
Bij specifieke infecties, zowel voor honden als voor katten:
- bij haakwormbesmetting elke 2-3 weken behandelen tot de dieren vrij zijn (voor Uncinaria om de 2 weken, voor Ancylostoma om de 3 weken);
- bij Trichuris: bij wormdiarree om de 2 maanden ontwormen, anders om de 3 maanden;
- bij Echinococcus en Dipylidium is een behandeling om de 6 weken met een specifiek lintwormmiddel noodzakelijk.
Referenties
Anten JFG, Zuidema PJ. Ankylostomiasis bij uit West-Guinea teruggekeerde dienstplichtigen. Ned Tijdschr Geneeskd 1964;108:1664-9.
Bergh J van den. Honde- en kattespoelwormen: ook bij de mens. Janssen Nieuws 1993;8:139-43.
Janssens PG, Vercruysse J, Jansen J, eds. Wormen en wormziekten bij mens en huisdier. Samsom Stafleu, Alphen a/d Rijn/Brussel, 1989.
Thienpont D, Rochette F, Vanparijs OFJ. Diagnose van verminosen door coprologisch onderzoek. Janssen Research Foundation 1986.
Vanparijs O, Hermans L, Flaes L van der. Helminth and protozoan parasites in dogs and cats in Belgium. Vet Parasitol 1991;38:67-73.